Laboratoriumonderzoek nlende

Een goede pluimveepraktijk kan niet zonder goed laboratorium. In de stal kan op basis van het koppelbeeld vaak al wel een waarschijnlijkheidsdiagnose worden gesteld, maar de zekerheid volgt uit het aanvullende laboratoriumonderzoek. Het laboratorium neemt een centrale plaats in bij de werkwijze van het GvP. Hierbij kan gedacht worden aan bacteriologisch onderzoek, bloedonderzoek, mestonderzoek, drinkwateronderzoek en het hygiënogram-onderzoek.

Laboratorium GvP

Laboratorium GvP

Bacteriologisch onderzoek
Soms geeft het sectiebeeld al een indicatie welke ziekteverwekker er in het spel is. Het bacteriologisch onderzoek geeft echter de zekerheid of het inderdaad de betreffende bacterie is. Een gevoeligheidsbepaling is vervolgens nodig om aan te geven welk antibioticum moet worden ingezet. Zeker in die gevallen waarbij van het bedrijfsbehandelplan moet worden afgeweken, is bacteriologisch onderzoek en een gevoeligheidsbepaling noodzakelijk. Bacteriologisch onderzoek kan ook nodig zijn bij verteringsstoornissen om te zien welke bacterie in het spel is. Het GvP heeft hiervoor de semikwantitatieve plaattest ontwikkeld. Hiermee kan worden vastgesteld welke bacteriën de oorzaak zijn bij een dysbacteriose.

Bloedonderzoek
Het bloedonderzoek wordt meestal aan het begin van een ronde of aan het eind van een ronde uitgevoerd. In het begin van een ronde wordt bloedonderzoek uitgevoerd om de immuunstatus van de jonge kuikens vast te stellen. Op basis hiervan kan een vaccinatieprogramma worden opgesteld, zoals de bepaling van de juiste dag voor de Gumboro vaccinatie. Bloedonderzoek aan het eind van een ronde kan aanwijzingen geven over de kwaliteit van de uitvoering van het vaccinatieprogramma of een aanwijzing geven welke infecties het koppel heeft doorgemaakt. Het GvP voert regelmatig bloedonderzoek uit om te zien welke virusinfecties er in de regio rond gaan. Dit is nodig om pluimveehouders goed te kunnen adviseren over het te volgen vaccinatieprogramma. Bloedonderzoek is in Nederland overigens verplicht om de NCD-titers te kunnen vaststellen.

Mestonderzoek
Het onderzoeken van mest kan noodzakelijk zijn om bepaalde darminfecties te controleren. Elke koppel maakt een aantal darminfecties door. Hierbij kan gedacht worden aan coccidiose, clostridium of darmvirussen. Aangezien de aanpak van de verschillende darminfecties heel verschillend is, is het van groot belang de juiste oorzaak te kunnen vaststellen. Het GvP neemt daarom op regelmatige basis monsters om de infectiedruk te kunnen monitoren.

Drinkwateronderzoek
Onderzoek van de GD in Deventer heeft uitgewezen dat het drinkwater op veel veehouderijen niet de benodigde kwaliteit heeft. Het GvP kan drinkwater onderzoeken op bacteriologische kwaliteit. Ook kan het laboratorium titraties verrichten om te zien hoeveel er van een bepaald zuur er moet worden toegevoegd om de juiste pH te bereiken. Om ook bij ingewikkelde problemen voldoende kennis in huis te hebben, wordt op periodieke basis een externe drinkwaterexpert ingehuurd. Het GvP bouwt op deze wijze voortdurend aan het verbeteren van het onderzoek en de advisering.

Hygiënogram onderzoek
Het GvP is geaccrediteerd om het hygiënogram onderzoek op pluimveebedrijven uit te mogen voeren. Dat wil zeggen dat het GvP zowel de monstername als het bijbehorende laboratoriumonderzoek mag uitvoeren in het kader van de IKB-regeling. Ook dit deel van het laboratoriumonderzoek valt onder de Hosowo-activiteiten, waarvoor de medewerkers Fedde Boonstra en Jan Boersma zijn geregistreerd.

Meer informatie? Neem gerust contact met ons op!

Heeft u vragen hebben over het laboratoriumonderzoek, neem dan geheel vrijblijvend contact met ons op.